Dashboard
Bijbellezen
Ontdek
Instellingen
Je profiel
Dashboard
Bijbellezen
Ontdek
Instellingen
Je profiel
א בְּרֵאשִׁית בָּרָא אֱלֹהִים אֵת הַשָּׁמַיִם וְאֵת הָאָרֶץ׃
ב וְהָאָרֶץ הָיְתָה תֹהוּ וָבֹהוּ וְחֹשֶׁךְ עַל־פְּנֵי תְהוֹם וְרוּחַ אֱלֹהִים מְרַחֶפֶת עַל־פְּנֵי הַמָּיִם׃
ג וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים יְהִי אוֹר וַיְהִי־אוֹר׃
ד וַיַּרְא אֱלֹהִים אֶת־הָאוֹר כִּי־טוֹב וַיַּבְדֵּל אֱלֹהִים בֵּין הָאוֹר וּבֵין הַחֹשֶׁךְ׃
ה וַיִּקְרָא אֱלֹהִים לָאוֹר יוֹם וְלַחֹשֶׁךְ קָרָא לָיְלָה וַיְהִי־עֶרֶב וַיְהִי־בֹקֶר יוֹם אֶחָד׃
In Gen.1:1-2:3 wordt over Gods scheppingswerk verteld. De zeven dagen vormen de eerste week van Gods handelen. De uitdrukkingen ‘God’, ‘scheppen’ en ‘hemel en aarde’ komen voor in Gen.1:1 (het begin) en in omgekeerde volgorde in Gen.2:1-3 (het slot van dit gedeelte). De taal is proza en geen poëzie, maar het onderwerp is zo verheven dat de taal soms bijna poëtisch wordt. Het boek Genesis begint met de grote en goede daden van God en eindigt in de laatste hoofdstukken met het ontstaan van het volk Israël.1 De schepping vindt plaats in een opklimmende reeks van gebeurtenissen, in een andere volgorde dan de hedendaagse evolutietheorie dat doet. De mensen komen niet voort uit dieren, in een proces van toeval en overleving van de sterkste, maar zij zijn ontstaan door Gods scheppingswoorden.