Dashboard
Bijbellezen
Ontdek
Instellingen
Je profiel
Dashboard
Bijbellezen
Ontdek
Instellingen
Je profiel
Vertrouw op de HEERE met heel je hart, en steun op je eigen inzicht niet.
Spreuken 3:5-6
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.
In Gen.1:1-2:3 wordt over Gods scheppingswerk verteld. De zeven dagen vormen de eerste week van Gods handelen. De uitdrukkingen ‘God’, ‘scheppen’ en ‘hemel en aarde’ komen voor in Gen.1:1 (het begin) en in omgekeerde volgorde in Gen.2:1-3 (het slot van dit gedeelte). De taal is proza en geen poëzie, maar het onderwerp is zo verheven dat de taal soms bijna poëtisch wordt. Het boek Genesis begint met de grote en goede daden van God en eindigt in de laatste hoofdstukken met het ontstaan van het volk Israël.1 De schepping vindt plaats in een opklimmende reeks van gebeurtenissen, in een andere volgorde dan de hedendaagse evolutietheorie dat doet. De mensen komen niet voort uit dieren, in een proces van toeval en overleving van de sterkste, maar zij zijn ontstaan door Gods scheppingswoorden.
Er zijn enige overeenkomsten tussen de 1e en 4e dag, tussen de 2e en 5e dag en de 3e en 6e dag; de 7e dag staat apart. In de eerste drie dagen wordt de aarde gevormd, in de volgende drie dagen wordt de geschapen wereld verder ingericht.
| dag 1: licht dag 2: water en lucht dag 3: land en zee (planten) | dag 4: hemellichten dag 5: vissen en vogels dag 6: dieren en mensen (planten voor voedsel) |
| dag 7: de sabbat | |
Nauwkeurige bestudering van de dagen maakt duidelijk dat de parallellie slechts gedeeltelijk is. Met name tussen de beschrijvingen van de derde en zesde dag zijn veel verschillen.3
In het begin4 schiep God de hemel(en)5 en de aarde (vs.1). De Schepper wordt hier niet geïntroduceerd, maar is bekend en zijn bestaan is het vanzelfsprekende uitgangspunt. Israël kent geen wordingsgeschiedenis van de goden (‘theogonie’) en spreekt niet van een tijd voor God er was; Hij is er van eeuwigheid (Ps.90:2). De hemel en de aarde vloeien niet uit Hem voort, en er is ook geen godenstrijd, zoals in de mythen van de buurvolken.6 Het Hebreeuwse woord voor ‘God’ is een meervoudsvorm die bedoeld is om Gods verhevenheid en macht uit te drukken en die bijna een eigennaam wordt. In het kader van de schepping past deze aanduiding. Hier wordt nog niet de naam JHWH gebruikt; in hoofdstuk 2 komt die meer persoonlijke naam er pas in relatie tot de mens.7 Het bijbehorende werkwoord (scheppen, bouwen, voortbrengen) staat in het enkelvoud, zodat slechts één God bedoeld kan zijn. Dit werkwoord heeft altijd God als onderwerp en betreft handelingen waar goddelijke kracht en wil voor nodig zijn. Het materiaal waaruit alles gemaakt wordt, ontbreekt; het spreken van God is genoeg om het gewenste tevoorschijn te brengen (Ps.33:6,9; Spr.8:22-29).8 Zo ontstaan hemel en aarde. De weergave van de eerste drie verzen is bedoeld om Gods macht en majesteit aan te geven: Hij is persoonlijk en almachtig. In andere godsdiensten zijn er persoonlijke goden die in veel opzichten machteloos zijn, of is er een hoge, maar onpersoonlijke macht. Gen.1 laat ons de machtige God zien die overlegt en spreekt. Zo kan Hij ook een relatie aangaan met de mens.
Terwijl het eerste vers over het heelal spreekt, gaat het tweede vers verder over de aarde. Daar wordt het uitgangspunt genoemd: de aarde is woest en ledig, er is nog niets dat een leefbaar bestaan op aarde mogelijk maakt. Vaak wordt hiervoor het woord ‘chaos’ gebruikt, maar ‘ongevormd’ is een betere omschrijving.9 De Schepper schept eerst de voorwaarden voor zijn latere werk.10 Er heerst aanvankelijk nog duisternis over de vloed, omdat het licht ontbreekt. Die duisternis lijkt beangstigend, maar is ook door God geschapen en daarom ‘goed’ (Jes.45:7). De Geest11 van God is aanwezig, zwevend over de wateren (vs.2).
Vers 3 begint met de opmerking ‘God zei’. In totaal komt in dit Bijbelgedeelte tien keer de uitdrukking voor dat God spreekt;12 daarvan heeft drie keer betrekking op de mens. Met machtige woorden bereikt God al scheppend zijn doel. Daarbij is een duidelijke opklimming en rangorde te bemerken. De latere scheppingsdaden bouwen voort op de eerdere. De schepping is voor een groot deel gericht op de mens. Zoals Jesaja later zal verwoorden: ‘Zo zegt de HERE, die de hemelen geschapen heeft – Hij is God – die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd (woeste plaats) heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd’ (Jes.45:18). God is een persoon die spreekt, en geen natuurkracht (zoals het pantheïsme gelooft). Hij spreekt met koninklijk gezag en door zijn woord ontstaat de schepping (Joh.1:1-3; Kol.1:16).
Als eerste daad roept God het licht tot aanzijn (vs.3). Vervolgens maakt Hij scheiding tussen licht en duisternis. Dit is een scheiding in de tijd, zodat dag en nacht ontstaan (vs.4-5).13 God woont in een ontoegankelijk licht en is in staat licht te maken dat onafhankelijk is van de hemellichamen (1Tim.6:16; Jes.60:19 en Op.21:23; 22:5). Daarom kan er licht zijn voordat de hemellichamen op de vierde dag geschapen worden.14 Dat licht wordt hier ‘goed’ genoemd en voldoet dus aan Gods bedoeling.15 God noemt het licht dag en de duisternis nacht. De naamgeving is in het OT belangrijk en wijst op de heerschappij van de naamgever; de naam geeft het karakter en de bestemming van het benoemde aan. Hiermee is ‘dag één’ voorbij.16
In vers 6 zegt God dat er een uitspansel ( ‘firmament, atmosfeer, het uitgestrekte’) moet komen, dat scheiding maakt tussen twee waterniveaus.17 Hiermee wordt geen koepel of stolp bedoeld, zoals te zien is op plaatjes die het primitieve wereldbeeld van de Bijbel zouden weergeven: een platte aarde op een wereldzee en daarboven een hemelkoepel. Dergelijke afbeeldingen geven echter een verkeerde voorstelling van zaken.18
Na Gods spreken wordt het uitspansel gemaakt (vs.7). Het uitspansel krijgt de naam ‘hemel’ en daarmee is Gods werk op de tweede dag voltooid (vs.8). Daarna komt er een goddelijk bevel dat de wateren moeten samenvloeien, zodat het droge te voorschijn komt (vs.9). Het lijkt erop dat slechts één groot continent en één zee gevormd worden.19 God benoemt ze als ‘zeeën’ en ‘aarde’ (vs.10; vgl. Job38:4-11; Ps.104:5-9).20 De eerste drie scheppingsdaden (vs.3-10) bevatten drie scheidingen. Na de beschrijving van de tweede dag ontbreekt de vermelding dat God iets als ‘goed’ beschouwt.21 In de verzen 11-13 vinden we geen directe, maar een indirecte schepping, namelijk vanuit de aarde. De planten en bomen komen er ‘naar hun aard’ of ‘naar hun soort’22. Deze eigen aard is door God gegeven, maar valt niet noodzakelijk samen met ons wetenschappelijke begrip en is niet bedoeld voor een botanische classificatie. Waarschijnlijk is met de uitdrukking ‘naar hun aard’ de wijze van voortplanting bedoeld. Uit het zaad van een bepaalde boomsoort komt steeds weer dezelfde boomsoort voort (vgl. Mat.7:16). Na deze scheppingsdaad komt de derde dag ten einde.